Inkomensdaling van honderden euro’s en naheffingen dreigen door het verlopen van de 30-jaarstermijn
Een meerderheid (56%) van de huiseigenaren van 40 tot en met 67 jaar met een aflossingsvrije hypotheek weet niet wanneer hun recht op hypotheekrenteaftrek eindigt. Dat blijkt uit onderzoek van Van Bruggen. Een grote meerderheid verwacht dat geldverstrekkers of de Belastingdienst hen hierover informeren, maar ook zij beschikken niet over de juiste gegevens om dit te signaleren. Voor honderdduizenden huishoudens dreigt hierdoor een onverwachte stijging van hun netto hypotheeklast en naheffingen als ze een onbewuste fout maken.
De urgentie is groot. Sinds de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 geldt dat hypotheekrente maximaal 30 jaar aftrekbaar is. Voor hypotheken die op 1 januari 2001 al bestonden, is die termijn op dat moment gestart. Dat betekent dat per 1 januari 2031 voor een eerste groep huiseigenaren de renteaftrek definitief vervalt. Veel van hen hebben een aflossingsvrije hypotheek uit de jaren ’90 of begin jaren 2000 en naderen inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd.
Risicovolle combinatie ligt op de loer
“Het belastingvoordeel verdwijnt, maar de schuld blijft. Tegelijkertijd daalt bij pensionering vaak het inkomen. Veel mensen realiseren dit zich niet”, zegt Mark van Ginkel, hypotheekadviseur van Van Bruggen. “Maar ook in de jaren daarna verliezen steeds meer huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek hun aftrek, totdat in 2043 niemand meer met een aflossingsvrije hypotheekrenteaftrek heeft.”
“Het lijkt zo simpel: na 30 jaar heb je geen hypotheekrenteaftrek meer. Maar de praktijk is veel ingewikkelder,” vervolgt Van Ginkel. “Wie weet nog wanneer die zijn eerste huis kocht, laat staan hoe de hypotheek er toen uitzag? Die gegevens zijn meestal al lang weg als je een paar huizen, verbouwingen en soms ook een partner verder bent. Daarbij komt als je meerdere hypotheekdelen hebt, het voor veel mensen niet duidelijk is welk deel onder welk fiscaal regime valt.”
Rekenvoorbeeld: Een netto maandlast van € 1.000,- stijgt naar ruim € 1.600,- als de hypotheekrenteaftrek wegvalt. Als de overgang van loon naar pensioen ook nog eens zorgt voor een daling van je gezamenlijk netto maandinkomen van € 5.000,- naar bijvoorbeeld € 4.000,- dan ben je opeens 40% van je inkomen kwijt aan hypotheeklasten, tegenover 20% nu.
Regels onbekend en complex
De regels rond de hypotheekrenteaftrek blijken bij veel huiseigenaren onvoldoende bekend. Zo weet 56% niet wanneer voor hen de 30-jaarstermijn afloopt en is 24% zich er niet eens van bewust dat rente maximaal 30 jaar aftrekbaar is. Daarnaast weet 58% niet dat voor aflossingsvrije hypotheken sinds 2013 andere regels gelden: de rente over een nieuw aflossingsvrij deel is niet meer aftrekbaar in box 1.
Toch ligt de verantwoordelijkheid om op tijd te stoppen met het aangeven van hypotheekrenteaftrek momenteel volledig bij de belastingbetaler. Uit het onderzoek blijkt echter dat de meerderheid juist verwacht dat geldverstrekkers (62%), de Belastingdienst (51,2%) of de overheid (27,8%) hen hierover informeren. Slechts 24,7% vindt dat dit hun eigen verantwoordelijkheid is.
Overheid steekt kop in het zand
“De wetgeving rond de eigen woning is in de afgelopen decennia steeds ingewikkelder geworden en de overheid steekt al jaren de kop in het zand,” zegt Jan Thale Haandrikman, directeur bij Van Bruggen. “De overheid mag niet van burgers verwachten dat ze precies bijhouden wanneer hun recht stopt, als zelfs de Belastingdienst niet over alle historische gegevens beschikt om dit goed te controleren. Om nog maar te zwijgen over boetes en naheffingen als men het onbewust verkeerd doet straks.”
“Het probleem is al jaren bekend, en 2031 komt steeds dichterbij. Een oplossing is dat je zegt dat de rente voor aflossingsvrije hypotheken tot 2042 aftrekbaar is. Dan eindigt namelijk voor alle aflossingsvrije hypotheken de aftrek. Maar dat kost de schatkist veel geld. Een andere oplossing is dat je zegt dat voor aflossingsvrije hypotheken de aftrek per 2031 fasegewijs tot en met 2042 wordt afgebouwd. Een fasegewijze afbouw moet dan wel weer door de Belastingdienst te verwerken zijn”, besluit Haandrikman.
